rss search

Zijn

line

‘Zijn. Het mogen zijn. Het samen mogen zijn. Het samen gelukkig mogen zijn.’ Dit krabbelde Luuk op een papiertje en staarde naar buiten. De lucht was onnatuurlijk blauw voor een winterdag, als het niet voor de kou was geweest had het zich prima midden juli plaats kunnen vinden. Helaas was de kou niet iets wat zich enkel buiten de ramen bevond. Het nestelde zich ook diep in zijn borstkas, langzaam spreidend naar alle uithoeken van zijn lichaam. Een zwaar gevoel drukte op zijn hart, dat emotionele pijn zo fysiek kon zijn had hij nooit eerder beseft. Natuurlijk had Luuk eerder verdriet gekend, zijn leven bestond uit niets anders dan teleurstellingen en dalen. Het enige positieve in het leven was altijd zijn houding geweest. Achterdocht en pijn hebben de naïviteit en liefde niet gedood, nog niet. Acceptatie verving het waarom, en wilskracht verving het hoe. Ieder moment dat hij zijn hoofd niet kon vullen met afleidende gedachten sneed de waarheid als nooit tevoren. ‘Het wordt beter’, zei men. ‘Het is iets waar je doorheen moet’, sprak een vriend. De waarheid is dat een wond niet helen kan als het koude ijzer van het mes nog steeds heen en weer wikt. ‘Ik mis je..’, fluisterde Luuk zachtjes. Niemand die hem horen kon, hij was op alle manieren alleen in zijn nieuwe appartement met de deuren op het slot. ‘Gelukkig zijn is niet aan mij besteed’, dacht Luuk. Hij had gehoopt dat ‘het samen zijn’ hem gelukkig zou maken. De vrouw van zijn dromen bleek een doorsnee meid met haar eigen egoïstische neigingen. Iedereen kent egoïsme, Luuk zelf was misschien wel het grootste voorbeeld. De manier waarop hij zichzelf martelde maakte iedereen om hem heen bezorgd. Hij had niet hoeven weten wat ze had uitgespookt, hij had niet hoeven vragen of ze samen weg waren gegaan bij hun favoriete stamcafé, maar hij deed het toch. Zichzelf teisterend, een masochist waardig, kreeg hij zichzelf niet in slaap. Het brak hem. Zijn opbouwend slaaptekort maakte hem labiel, zijn waanideeën namen soms de waarheid over. Het ‘samen’ had niet mogen zijn. Het maakte hem boos van binnen, alles wat er is gebeurt. Luuk had al het recht om boos te zijn, wat ze had gedaan en nu deed was simpelweg stijlloos. Toch kreeg Luuk de pijn en woede niet verder dan zijn borstkas. Zichzelf boos maken had geen zin, niemand in deze wereld is er ooit beter van geworden. Hij gunt haar nog steeds alles, en zijn vriend ook. Dingen hadden anders kunnen lopen, in plaats van over hem heen te lopen. Misschien was er een foutje gemaakt, misschien hoorde Luuk hier helemaal niet te zijn. Misschien was Luuk een anomalie van de werkelijkheid, waarom anders zou hij zich zo rot mogen en kunnen voelen? Misschien had hij hier niet mogen zijn. Luuk tastte met zijn hand in zijn bureaulade, zoekend naar het koude, gladde gevoel van glas. Na enige frustratie voelde hij eindelijk een houten framepje met het bekende koele glas waar hij naar zocht. Een glimlach verscheen op zijn gezicht. Hand in hand, dansend op muziek die niemand anders horen kon stond hij daar met haar. Een traan verscheen op zijn wang. Een bewijs van iets moois was aanwezig, het is een idee dat hem toen dreef. Hoe zij zich over hem voelde bleek vele malen minder te zijn geweest. Toch koesterde Luuk de herinnering. Hij kon er net zo goed van genieten dat het was geweest, maar iedere keer dat Luuk aan zulke momenten dacht werden ze overschaduwd.. Hij kon niet anders dan blijven staren, het was er immers geweest. Het kon niet worden ontkend, het was er geweest. Luuk klampt zich vast aan de herinnering, aan zijn glimlach. Want zonder dat was er geen ‘zijn’ meer geweest.